‘Soms overschatten we onszelf’

De Nederlandse economie dreigt wereldwijd achterop te raken. Investeer in onderwijs voor jong en oud, zegt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. En kijk naar Zuid-Korea, Singapore, Finland en de VS.

TEKST JONATHAN WITTEMAN, de Volkskrant − 05/11/13

Nederland is in slaap gedommeld na decennia van economische vooruitgang en dreigt de aansluiting te verliezen met Aziatische, Amerikaanse en Europese economieën waar wel een duidelijk plan voor de toekomst is. Van het aloude Nederlandse groeielixer van loonmatiging en het aan het werk krijgen van meer mensen – de gestegen arbeidsparticipatie van vrouwen verklaart de helft van onze groei in de twee laatste decennia – zijn de magische krachten vrijwel uitgewerkt. Terwijl het politieke debat zich blindstaart op hervormingen waarin nauwelijks nog economische rek zit – het verder versoepelen van het ontslagrecht of verkorten van de uitkeringsduur – blijft onderbelicht waarmee Nederland de grootste vooruitgang kan boeken: meer productiviteit, vooral te behalen via beter onderwijs voor jong en oud.
‘Er is dringend behoefte aan een nieuw sociaal contract tussen onderwijsveld en samenleving’, schrijft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in haar maandagavond aan premier Rutte gepresenteerde rapport Naar een lerende economie. De WRR onderzocht hoe Nederland in de toekomst zijn brood moet verdienen. Het belangrijkste adviesorgaan van de regering koos er bewust voor om geen voorspellingen te doen en bedrijfstakken aan te wijzen waarop Nederland zijn geld moet zetten.

In de alsmaar versnellende wereldeconomie waarin de marktleider van vandaag binnen een paar jaar op het bedrijvenkerkhof kan liggen ‘is de beste voorspelling dat zaken anders zullen lopen dan wij nu denken’, schrijft de WRR. Nederland moet daarom vooral beter en sneller leren inspelen op de nog onbekende kansen en bedreigingen voor de toekomst. Volgens de WRR vergt dit vooral een verbetering van het onderwijs.
‘Ons onderwijs heeft nog steeds niet de strategische betekenis die het wel toekomt’, zegt Peter van Lieshout, projectleider van het onderzoek. ‘Onderwijs is in Nederland lang een emancipatiemachine geweest. Daar zijn we extreem succesvol in geweest. Maar dat was het verhaal van de twintigste eeuw. Het verhaal van de eenentwintigste eeuw is dat onderwijs ook een onderdeel is van het economische proces. Die verbinding loopt nog steeds erg lastig. Als je het onderwijs werkelijk ziet als het fundament voor onze economie, dan zou je niet accepteren dat 30 procent van de studenten die zich inschrijven aan de universiteit geen diploma haalt – dat is een verkwisting die geen enkel bedrijf zou tolereren. Dan heb je het over een productiemodel dat past bij een bedrijf in de derde wereld waar heel goedkoop machinaal geproduceerd wordt en waar de bazen accepteren dat 30 procent niet aan de kwaliteitseisen voldoet. En die 30 procent flikker je dan weg. Maar een samenleving die investeert in zijn verdienvermogen en menselijk kapitaal mag niet accepteren dat er zo veel uitval is.’

Maar moet je onderwijs met een fabriek vergelijken?
‘Nee, maar daar lijkt ons onderwijs wél veel op. Kijk maar naar onze schoolklasjes, die zijn nog op het model van de industriële revolutie georganiseerd: dertig leerlingen bij elkaar die allemaal in dezelfde tijdspanne hetzelfde pakket krijgen van een leraar die elk jaar opnieuw dezelfde verhalen vertelt.’

Scholieren zijn fabrieksarbeiders aan een lopende band waar onderwijsmodules voorbij rollen?
‘Ja, ze moeten allemaal dezelfde modules doorlopen in precies dezelfde hoeveelheid tijd, los van hun interesses. Dat is een puur industrieel productiemodel. Terwijl we veel meer naar het model van de zakelijke dienstverlening zouden moeten, waarbij je per leerling kijkt hoe je hem of haar het best kunt ondersteunen. Kijk naar Zuid-Korea, nummer 1 op de wereldranglijst van PISA-scores: daar differentiëren ze veel meer naar het niveau van de kinderen. Daar schaffen ze alle studieboeken af en ontwikkelen ze alleen nog maar lesmodules waarbij kinderen via de iPad – of daar zal het misschien een Samsung-tablet zijn – kennis overgedragen krijgen. Daaraan voegen leraren allerlei verrijkend materiaal toe voor leerlingen die meer in hun mars hebben. Kinderen hoeven niet altijd naar school, ze kunnen ook thuiswerken in de cloud.’

Zijn de Nederlandse onderwijsprestaties echt zo slecht? Op de laatste PISA-ranglijst van 2009 stond Nederland tiende; van de Europese landen stond alleen Finland hoger.
‘We doen het niet slecht, maar we staan stil. Als het gaat om de vooruitgang van de PISA-scores behoren we sinds begin deze eeuw tot de slechtst presterende landen. De PISA-scores van 2000 en 2003 veroorzaakten een schok in landen als Zweden, die veel slechter presteerden dan ze dachten en als reactie hun onderwijs zijn gaan herzien. Nederland scoorde redelijk goed, wat als argument werd gebruikt om niets te doen.’

Maar de noodzaak van een nieuw sociaal contract impliceert dat er een breuk is ontstaan tussen volk en onderwijs?
‘Je ziet dat het onderwijsaanbod te veel een mal is waarin iedereen moet passen. Dat is geen goede vorm van talentmanagement. Daar komt nog een kwaliteitsprobleem bij, wat leidt tot een andere breuk. Ons onderwijs wordt publiek gefinancierd. In een verzorgingsstaat accepteren mensen dat ook, zolang de staat ten minste een hoog middenklasseniveau kan garanderen. Kan de staat dat niet, dan gaan mensen op eigen houtje iets beters voor hun kinderen zoeken.
De gezondheidszorg is in Nederland altijd kwalitatief hoogwaardig geweest, dus weinig mensen willen een opt-out. Maar op het schoolplein zie je dat het gemiddelde opleidingsniveau van ouders hoger ligt dan van de leraren. Dat gaat tot problemen leiden.
Je ziet nu al dat huiswerkbegeleiding een bloeiende industrie is. Vroeger was dat iets voor rijkeluiskinderen die niet mee konden komen op school, nu gaan scholieren standaard naar huiswerkbegeleiding. Op den duur ontstaat er zo een privaat systeem dat het publieke systeem kannibaliseert door de beste mensen weg te trekken.’

De WRR pleit onder meer voor een ander soort kinderopvang: minder nadruk op opvang, meer op onderwijs.
‘Kinderopvang was in Nederland lange tijd niet meer dan opvang: iemand die op je kind lette terwijl je aan het werk was. Kinderopvang heeft een belangrijke rol gespeeld in de emancipatie van de vrouw: de arbeidsparticipatie van moeders met kinderen onder de twaalf ligt nu boven de 70 procent. In emancipatoire zin is er met kinderopvang weinig winst meer te boeken. Maar wel in educatieve zin. Maak van de kinderopvang een educatieve omgeving waarin je de cognitieve vermogens van kinderen uitdaagt.’

Moet je peuters al lastig vallen met onderwijs?
‘Niet op een schoolse, maar op een speelse manier. Zorg voor een taalrijke omgeving, waarin leidsters bijvoorbeeld taalspelletjes spelen met kinderen waarin al een elementaire vorm van uitdaging zit. Het woord kinderopvang dekt de lading niet meer. De basisschool is ook een vorm van kinderopvang, alleen noemen we dat niet zo. Op de basisschool wil je ook dat kinderen opgevangen worden in een stimulerende omgeving waarin ze dingen leren die hun leven rijker maken.’

Op de omslag van het rapport staat een hardwerkende mierenkolonie. Wilt u een samenleving waarin de werksters zich twintig uur per dag uitsloven voor hun koningin, en na een dag of negentig dood neervallen, ten voorbeeld stellen aan hardwerkende Nederlanders?
‘Je vergeet nog te zeggen dat mieren ook tientallen keren hun eigen gewicht kunnen tillen. Nee, het beeld dat we hebben willen neerzetten, is dat een economie net als een mierenkolonie in hoge mate afhankelijk is van iedereen. Dat klinkt misschien als een cliché, maar we hebben toch vaak een Willie Wortel-achtig beeld van economische vooruitgang. Zo van: geef een paar uitvinders een zak met geld, dan bedenken ze iets briljants en worden we met z’n allen ontzettend rijk.’

Is onze kijk op innovatie besmet met het romantische idee van een genie?
‘Ja. Maar als je analyseert waar economische groei vandaan komt, dan is het vaak een kwestie van heel veel mensen die tegelijkertijd een stap vooruit weten te zetten – op het gebied van productie bijvoorbeeld, maar ook van marketing, distributie, etcetera. Al die stappen vooruit maken of iets geld genereert of niet.
In Nederland zijn we erg gericht op het stimuleren van research & development. Maar daarin schuilt een onderschatting van het feit dat economische groei vaak van andere typen mensen komt dan van de Wille Wortels. Waarmee ik niet wil zeggen dat je geen briljante uitvinders nodig hebt, maar als je kijkt naar de honderd snelst groeiende bedrijven van Nederland, dan zijn daar weinig bedrijven bij die echt iets nieuws doen.
Het zijn vooral ondernemers die op een handige manier allang bestaande technieken weten te combineren. Apple, dat maar een heel kleine r&d-afdeling heeft, doet precies hetzelfde. De technieken voor mp3-spelers en touchscreens bestonden allang voordat Apple ze tot de iPhone combineerde.’

Maar het Nederlandse beleid is vooral gericht op innovatie en het stimuleren van de zogeheten topsectoren.
‘Dat is heel beperkt beleid. Als je, zoals Nederland, een beperkte hoeveelheid geld hebt, dan is het misschien niet verstandig dat allemaal aan r&d te spenderen. Je kunt er beter voor zorgen dat Nederlanders door betere opleidingen goed kunnen inspelen op veranderingen. Veel r&d zou ook zonder overheidssubsidie wel gedaan worden, bedrijven bepalen zelf wel waar ze onderzoek naar willen doen. We mogen natuurlijk niet de conclusie trekken dat r&d irrelevant wordt – als ASML aan de wereldtop wil blijven dan moeten ze onderzoeken hoe ze de lithografie verder kunnen ontwikkelen.
Maar niet heel Nederland bestaat uit ASML’s. Dienstenbedrijven als PostNL zijn ook belangrijk. We wijzen altijd naar Duitsland, maar de structuur van onze economie is heel anders dan de Duitse. R&d is vooral belangrijk als je, zoals Duitsland, sterk leunt op de auto-industrie, maar minder wanneer je het zoals de Nederlandse economie meer moet hebben van handel en diensten. Wij denken dat we met Eindhoven de slimste regio ter wereld hebben – een handige marketingkreet, en het opleidingsniveau in de regio Eindhoven is ook zeer hoog. Maar als je kijkt in welke regio’s met technologie de meeste toegevoegde waarde wordt gecreeërd, dan staat Eindhoven mondiaal niet eens in de top twintig, terwijl het onze slimste regio is. We overschatten onszelf soms.’

Dit bericht is geplaatst in Duurzaam onderwijs, Maatschappelijk debat. Bookmark de permalink.